Het Akkoord van Brioni is een op 7 juli 1991 getekend akkoord op het eiland Brioni in Kroatië tussen afgevaardigden van de Republiek Slovenië en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië onder auspiciën van de Europese Gemeenschap. Het akkoord beëindigde de Joegoslavische vijandelijkheden op Sloveens territorium (zie: Tiendaagse oorlog) terwijl Slovenië en Kroatië de tenuitvoerlegging van hun onafhankelijkheid voor een periode van drie maanden opschortten.
Inhoud |
bewerk Deelnemende Partijen
- Europese Unie (trojka van de Europese Raad)
-
-
- Hans van den Broek (halfjaarlijks voorzitter van de EG, Nederland)
- Jacques Poos (Luxemburg)
- João de Deus Pinheiro (Portugal)
-
-
-
- Ante Marković (premier van de federale regering)
- Petar Gračanin (federaal minister van binnenlandse zaken)
- Budimir Lončar (federaal minister van buitenlandse zaken)
- viceadmiraal Stane Brovet
- president Borisav Jović en de vertegenwoordigers van het collectieve presidentschap van Joegoslavië (zonder de leden uit Vojvodina en Kosovo)
-
-
-
- Milan Kučan (president van Slovenië)
- Lojze Peterle (minister-president)
- Dimitrij Rupel (minister van buitenlandse zaken)
- Janez Drnovšek (Sloveens afgevaardigde en lid van het federale presidium)
- France Bučar (voorzitter van het Sloveense parlement)
-
-
-
- Franjo Tuđman (president van Kroatië)
-
bewerk Achtergrond
Sinds de late jaren tachtig werd de Joegoslavische federatie toenemend gekenmerkt door spanningen, die uiteindelijk culmineerden in het uiteenvallen van het land. Op 26 juni 1991 begon het Joegoslavische leger de oorlog tegen Slovenië, dat samen met Kroatië op 25 juni 1991 de onafhankelijkheid verklaard had. Tijdens de daarop volgende oorlog in Slovenië kwam het binnen de Europese Gemeenschap tot conflict tussen twee fundamenteel verschillende opvattingen, die vertolkt werden door François Mitterrand en Helmut Kohl. De eerste verdedigde het beginsel van de onaantastbaarheid van de Europese grenzen en dus de territoriale integriteit van Joegoslavië, de ander wees vooral op het recht op zelfbeschikking. Aanvankelijk overwoog de Franse opstelling. Op 28 en 29 juni 1991 bezocht de Europese trojka (Hans van den Broek, Jacques Poos en Gianni de Michelis) Belgrado in een poging te bemiddelen. Zonder veel succes; het door de federale regering op 28 juni eenzijdig uitgeroepen staakt-het-vuren werd genegeerd door het Joegoslavische leger. De bevelen van Stipe Mesić, die conform de grondwet op 1 juli - onder druk van de Europese Gemeenschap – Borisav Jović als president van het collectieve presidentschap van Joegoslavië afloste, werden eveneens genegeerd. Ondertussen had Blagoje Adžić (plaatsvervangend Joegoslavisch minister van defensie) in een televisietoespraak de "totale oorlog" verkondigd. Pas op 7 juli, toen duidelijk was geworden dat Slovenië niet boog voor het Joegoslavisch geweld, en bovendien de Amerikaanse steun voor het Joegoslavische federale gezag merkbaar verminderde, kwam er ruimte voor het initiatief dat zou uitmonden in het Akkoord van Brioni.
bewerk Vervolg
Op 18 juli 1991 kwam het presidium van Joegoslavië voor het laatst in voltallige samenstelling bijeen. De Sloveen Janez Drnovšek vergaarde er voldoende steun voor het besluit om het Joegoslavische leger uit Slovenië terug te trekken, hetgeen op 25 oktober 1991 daadwerkelijk omgezet was met het vertrek van de laatste federale troepen uit Slovenië. Daarmee was de de facto onafhankelijkheid van Slovenië een feit. De hardliners in Belgrado zagen in dat Slovenië niet meer binnen Joegoslavië gehouden kon worden. Het concept van Joegoslavië zou voortaan plaats maken voor dat van Groot-Servië, zoals dat reeds was verwoord door de Servische intelligentsia en politici. Voor Kroatië, waarbinnen zich de regio Knin onder de naam Srpska Krajina Knin onafhankelijk had verklaard, ging de oorlog daarom gewoon door.
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|
| Meer afbeeldingen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden in de categorie Oorlogen in Joegoslavië van Wikimedia Commons. |
